Mijn mond vol tanden. Verbouwereerd. Ik klemde mijn blik tomatensoep stevig onder mijn arm. Alsof het de laatste was en er een hongerwinter voor de deur stond. Mijn blik was wazig. ‘Soepstengels,’ herhaalde de dame keurig, ‘of u op de hoogte bent van soepstengels!’ Een bontjas, zwartgelakte schoentjes, het kapsel statig omhooggeföhnd. Een doodgewone doordeweekse dinsdagmiddag in Naarden. ‘Soepstengels,’ mompelde ik, alsof ik kundig mijn kennis omtrent soepstengels probeerde op te duikelen. Ik bukte en bekeek samen met de bontjas de voorraad soepstengels. ‘Er zijn lange en korte,’ wees ik na een korte inventarisatie.
‘En dan heb ik het niet eens alleen over z’n sokken!’ Opgewonden springt ze uit haar stoel waarbij de uitgestalde bonbons een scheut thee over zich heen krijgen. ‘Nee, hij trekt hiér zijn trui uit,’ ze demonstreert uitvoerig hoe haar lief midden in de kamer zijn trui uitrekt, ‘en gooit ‘m hier neer,’ we kijken allemaal naar de denkbeeldig neergesmeten trui, op de grond, midden in de kamer, naast de bank. We vinden het schandalig. ‘En dan,’ ze loopt driftig een paar stappen richting de slaapkamerdeur, ‘stapt hij hier zijn broek uit! Hij stápt er gewoon uit!’ We staren naar de onzichtbare broek waar haar lief zomaar uit schijnt te stappen. De broek blijft zó liggen, dat er de volgende ochtend weer eenvoudig ingestapt kan worden. De demonstratie eindigt bij de slaapkamerdeur. Dan heeft haar lief ongeveer alles uit wat hij niet in bed wil dragen. En zij? Zij loopt snoevend van trui, naar broek, naar sokken, naar T-shirt en kruipt naast haar nietsvermoedende man onder de dekens. Er moet nodig gepraat worden.
‘Wij hebben een afspraak!’ Hij schreeuwde van ver. Ik dook in elkaar en keek geheel overbodig even om. Hij had het tegen mij. Dapper sloeg ik mijn handdoek over mijn schouder en beende richting de fitnessinstructeur. ‘Mike,’ stelde hij zichzelf voor. Mijn hand werd fijngeknepen. Natuurlijk, Mike. Ik moet de eerste Jan-Willem of Bart-Hendrik nog tegenkomen in een fitnesszaal. ‘Je hebt ervaring,’ concludeerde Mike na mijn sportschoolervaringen aangehoord te hebben. ‘Mooi, dan beginnen we eenvoudig, met de Side Crunch!’ Ik keek verschrikt. Side Crunch klinkt ontzettend pijnlijk. ‘De buikspiertjes!’ verduidelijkte hij ongeduldig. ‘We zijn hier in Utrecht, niet in Groningen!’ Een harde schaterlach weerklonk door de Utrechtse sportschool. Hier spreken ze hun talen. Mijn eerste integratiestap, of movement, verliep nog niet geheel vlekkeloos.
Ik tuur, maar zie weinig. Het stro gaat langzaam op en neer. Er leeft iets daaronder. De voederbakjes zijn leeg. ‘Ze eten!’ roept onze vriend tevreden. Hij zit in het stro en kijkt trots naar het bewegende hoopje. ‘Koelekoelekoele, pierepierepiere!’ Het gekir klinkt schattig uit de mond van een volwassen vent. Mijn lief kijkt verbaasd naar zijn brabbelende maat. De vriend waarmee hij bier dronk en tot diep in de nacht grote mannenpraat kletste, babbelt nu in een onverstaanbare taal met twee kleine onzichtbare biggetjes.
Het begon een aantal maanden geleden. Tot ’s avonds laat klonk er luid geklus en geknutsel vanuit de achtertuin. Het moest en zou een prachtig hok worden, voor de varkentjes. Het wérd een prachtig hok, met een uitgang speciaal voor kleine biggetjes en een knus plekje vol droge, warme stro. ‘Hormonen.’ Ik weet het zeker. Zijn vrouw zit er een beetje bedremmeld bij. ‘Hormonen?’ Ze klopt op haar buikje. ‘Zijn de mijne niet genoeg?’ Met een gelukzalige glimlach neemt ze een slok van haar zwarte koffie (ze wálgt van koffie) en hapt van haar augurk, gedoopt in versgeklopte slagroom. In plaats van in volle gloria samen zwanger op de bank namenboekjes te bestuderen, is haar lief als een bezeten doe-het-zelver in de weer.
‘D’r komt vijfendertig bovenop.’ De conducteur klonk vriendelijk en een beetje opgewekt. De dame, gehuld in onduidelijke bloemenprint, werd paars. ‘Vijfendertig wát?’ De conducteur deed een klein stapje achteruit en belandde op een teen van een chinees die de pijn dapper wegslikte. ‘Treintarief mevrouw, dus d’r komt vijfendertig bovenop.’ Paars werd pimpel. ‘Vijfendertig WAT?’ De gebloemde vrouw wilde duidelijkheid. ‘Ehm, euro,’ mompelde de conducteur lichtelijk beschaamd. ‘Euro?’ schalde ze verhit. Haar blik ging spuwend de coupe rond, hopend op wat bijval van haar medepassagiers. Een klein mannetje, een pet met feestelijke frieslandprint ver over de oren gezakt, gaf gehoor aan dit noodsignaal. ‘Ik kon geen kaartje kopen en nu moet ik vijfendertig euro extra betalen!’ schreeuwde de vrouw dankbaar in zijn richting. De Fries (wie durft anders een hoofddeksel met blauwwitte strepen en rode hartjes te dragen) gebaarde driftig terug. Hij was Fries, doof en vijfenzestig, zo bleek.
Een beetje labiel hing ik aan de telefoon. ‘Ik ben ‘m kwijt!’ treurde ik in het luisterend oor van de NS-mevrouw. ‘U bent wát kwijt mevrouw?’ Ze klonk moederlijk, nazorgachtig. Ze had vaker met dit bijltje gehakt.‘Mijn jasje! Mijn bruine leren jasje!’ Ik slikte en hoopte. ‘Er mist een knoop.’ Ik leek een wanhopig baasje van een weggelopen Brutus, Keffie of Saartje. ‘Ach,’ mompelde de telefoniste meelevend. Ik wist niet of haar erbarmen de missende knoop betrof of mijn verloren jasje.
‘Mondhygiënestripjes?’ Hij valt bijna van zijn fiets. ‘M-o-n-d-h-y-g-i-ë-n-e-s-t-r-i-p-j-e-s?’ Elke letter wordt vol verontwaardiging beklemtoond. Ik kijk een beetje beteuterd. Het lijkt mij juist een zeer praktische aankoop. ‘Zo’n stipje leg je gewoon op je tong, het smelt en de bacteriën zijn als sneeuw voor de zon verdwe…’ Iets in de blik van mijn vriend doet mijn uitleg stoppen. ‘Lieverd,’ begint hij geduldig (en dan moet er altijd iets ingewikkelds uitgelegd worden), ‘zés mondhygiëne stripjes, binnen enkele seconden verdwenen, foetsie, weg. Viér euro versmolten op je tong en hetzelfde gevoel als een tandenpoetsbeurt’. Deze harde feiten doen mij even slikken. Ik zucht. Het is weer bevestigd. Ik ben een ster in het doen van zinloze aankopen.
‘Ik weet niet wat ik wil.’ Mijn haar is lang, dood en pluizig en bovendien is het zaterdagochtend. De kapster wappert met haar lange, zwarte glanzende krullen en kijkt me ongelovig aan. ‘Je weet niet wat je wil?’ Ik bekijk mezelf in de spiegel en schud mijn hoofd. Er wappert weinig. ‘Nou ja,’ begin ik vaagjes, ‘er moet wél wat af.’ De kapster knikt vakkundig. ‘Je wil er dus wat af,’ besluit ze kordaat. ‘Misschien een bobje?’ opper ik voorzichtig. Bobjes zijn ontzettend hip tegenwoordig. De kapster slaakt een klein gilletje. ‘Een bobje! Dat is verschrikkelijk leuk!’ Een beetje angstig om het woord ‘verschrikkelijk’ kies ik voor het bobje.
Ik struikel over Josientje (maakt échte slurpgeluidjes!) en beland op een Duplo-trein die naast sneeuwwitje en zeven dwergen ook drie dikke nijlpaarden vervoert. Versuft bedenk ik dat ik op weg was naar de tuin, waar een hartverscheurend gebrul het ergste doet vermoeden (een ingezakt zandtaartje of omgevallen flesje). Ik krabbel op en probeer me moederlijk te voelen (wat aardig lukt met de afdruk van een treinwagon op mijn achterste).
‘En dan ga je gewoon gezellig met ze spelen,’ had hij kalmpjes geïnstrueerd. ‘Gewoon gezellig spelen,’ herhaalde ik knikkend, alsof ik niets elke dag anders deed dan gewoon gezellig spelen. ‘En de luier,’ hij snoof even aan zijn baby, ‘is net schoon.’ Ik gniffelde opgelucht. ‘Ik ben niet zo van de luiers.’ De vader keek me verdwaasd aan. ‘Niet van de luiers?’ Ik voelde een generatiekloof. Na nog wat praktische tips (‘Ze kan wel lopen, maar nog niet zo goed’ en ‘na het flesje lust ze een rijstwafel’) vertrok de papa, voorzichtend kirrend en zwaaiend. De baby keek hem na. Een huillipje in aantocht.
‘Ik wil dlop!’ dreint het kleine knulletje met appelrode wangen. Zijn moeder kijkt hem waarschuwend aan. ‘Jij wil helemaal niks!’ besluit ze snibbig. Met een ferme zwaai wordt het jengelende jongetje op de arm genomen. Een stelletje staat voor de groenteafdeling. Ze moeten een keuze maken. Overduidelijk. Broccoli of spinazie. Het meisje kijkt zwijmelend naar hem op. Haar kanjer moet immers kiezen. ‘Ik wil alles wat jij wil…’ kwijlt de kanjer. De held. Het meisje kirt. Ik ga haastig op zoek naar een spuugbakje.
Ik slenter verder door de winkelstraat. Ik slenter daar omdat ik daar wil slenteren. Ik besluit te stoppen met slenteren als ik niet meer wil slenteren. Dat kan even duren. Soms wil ik heel lang slenteren. Soms kort. Ik bedenk al slenterend dat willen een heerlijk woord is. Iets willen kan praktisch altijd. Niemand kan mij verbieden iets te willen.
Never blink, want voor je het weet heb je iets moois gemist! Klik op een van de onderstaande categorieën om te beginnen met genieten;
>>Entertainment<<
>>Fashion & Lifestyle<<
>>Columns<<
>>Filmhuis<<
>>Boekenclub<<
>>Prijsvragen <<

Recente reacties
17 uur 21 min geleden
19 uur 20 min geleden
1 dag 24 min geleden
1 dag 22 uur geleden
2 dagen 13 uur geleden
2 dagen 14 uur geleden
3 dagen 12 uur geleden
3 dagen 18 uur geleden
3 dagen 18 uur geleden
3 dagen 22 uur geleden