- ‹ vorige
- 5743 of 6212
- volgende ›
Dit wordt mijn dood. Het vreet aan me. Ik voel hoe het zich door mijn lichaam verspreidt, zich nestelt in mijn hersenen, mijn heldere blik vertroebelt. Mijn handen trillen en de wanhoop is nabij.

De middelen om dit te stoppen zijn niet voor handen en ik zie de toekomst dan ook somber in.
Ik lig ‘s nachts naar adem te snakken en te woelen in mijn bed. Mijn hele lichaam trilt en ik kan mijn draai niet vinden. Mijn kussen is te hard, mijn deken te warm, mijn matras te vol met bobbels. Terwijl ik in een lichte paniek op mijn rug naar het plafond lig te staren, dringt het tot me door dat ik dit niet lang volhou. Als ik uiteindelijk in een diepe onrustige slaap wegzak, vecht mijn lichaam om genoeg zuurstof binnen te krijgen en verkrampen mijn spieren door de ongebruikelijk lighouding.
Als mijn wekker gaat, sla ik die met een onvaste hand uit en zie alles voor mijn ogen dansen. Ik gun mijn lichaam even de tijd genoeg sterkte te verzamelen, zodat ik rechtop kan gaan zitten, maar dit is mij niet gegund. Trillend kruip ik mijn bed uit en zoek steun bij de muren en de grond. Ik bereik de badkamer en zet de douche aan. Goed heet, stomen, zweten, voor ik er echt kapot aan ga. In het te felle badkamerlicht ziet mijn huid er ziek uit. Wit, vlekkerig, doorschijnend haast. Als ik mijn gezicht in de spiegel bekijk, kan ik eerst niet voorbij mijn bloeddoorlopen ogen kijken. De zwarte rand onder mijn ogen, de ingevallen wangen en de geelgrijze kleur van mijn huid. Mijn haar is vet, plakkerig en hangt troosteloos langs mijn gezicht. Ik ben al een wandelend lijk. Alleen mijn hart weet het nog niet.
Alles wordt waziger, instabieler en ik twijfel of ik de voordeur nog haal. De kleding om mijn lijf hangt er losjes bij en kan niet vervullen dat de dood nabij is. Nu de dood bij me voor de deur staat, wil ik toch het heft in eigen hand houden en stap in de auto. Door al mijn hallucinaties en andere idioten op de weg, baan ik mij een weg door de asfaltjungle en bereik het kantoor wat mij afschermt van het harde buitenlicht wat pijn doet aan mijn ogen.
Mensen ontwijken me. De dood is niet leuk om te zien. Alleen achter mijn pc glijdt de dag aan me voorbij. Water smaakt naar koffie, de koffie smaakt naar slootwater. Stil zitten doet pijn, opstaan is onmogelijk. Wiebelend, trillend, wachtend. Dat sterven zolang kon duren. De dood me zo aan zou staren. Een onmacht waar je geen grip op kan krijgen. Langzaam al het leven uit je weg te voelen stromen. Met mijn laatste krachten begeef ik mij naar huis, waar ik mij ten ruste zal leggen.
Om de pijn te verachten neem ik een aantal ibuprofen tot me en ga in bed liggen. Ik doe mijn ogen dicht en probeer rustig adem te halen. Bij de tweede poging hoest ik mijn longen naar buiten en ga al stikkend rechtop zitten. De tranen lopen over mijn wangen en ik tril zo erg dat ik niets eens bij de tissues kan. Roggelend, piepend, astmatisch ademhalend, voel ik mezelf wegzakken. Ik verwelkom het gevoel. Langzaam laat ik me meevoeren in het donker en voel niets meer.
Ik schrik wakker van de wekker. Ik haal diep adem en voel hoe de lucht zich een weg baant naar mijn longen. Opgelucht sta ik op, schraap mijn keel en merk dat ook die weer functioneert. Een licht kuchje, minimale weerstand in mijn neus en spieren die weer doen wat ik wil. Met vaste hand en stevige tred loop ik naar de badkamer, waar ik de meest verfrissende douche van mijn leven neem. Fluitend kleed ik me aan en als ik naar buiten stap, geniet ik van de zon op mijn gezicht. Ik haal nog eens diep adem en geniet van mijn vrije luchtwegen. Wat kan een verkoudheid toch vervelend zijn.
Als Martje dan ziek thuis zit, dan komen alle tekenfilms weer voorbij. Leest ze nog eens een boek en kan niet wachten weer naar buiten te kunnen.
Reacties
Nieuwe reactie inzenden