- ‹ vorige
- 3160 of 6209
- volgende ›
Daar stond hij dan. Opeens. Terug in haar leven alsof hij nooit weggeweest was. Hij slingerde zijn smerige rugzak op haar bank en vroeg op ongeduldige toon of ze versteend was en of ze nog thee ging zetten. Het was overduidelijk dat hij in een zonnig land was geweest. Hij was prachtig bruin en zijn blonde lokken waren bijna wit. Een intellectuele surfgod.

Bij het inschenken van de thee trilden haar handen ietwat. Het viel hem niet op of hij zei er niets van. Hij rook zilt. Niet naar zweet, maar naar zee. Toen hij haar voorhoofd kuste voelde ze een traan over haar linkerwang rollen. ‘Wat is dat nu? Ik dacht dat je blij zou zijn me weer te zien.’ ‘Ik ben ook blij. Denk ik. Maar ik heb een half jaar niets van je gehoord en nu kom je doodgemoedelijk binnen wandelen, alsof er niets is gebeurd. Wat had je verwacht, slingers?’
Hij opende zijn mond, maar er volgde geen geluid. Nonchalant haalde hij zijn vingers door zijn haar en probeerde het nogmaals. ‘Meisje. Zit dat akkefietje je nu nog dwars? Jij bent de ware, over zulke serieuze zaken maak ik geen grappen. Dat weet je. Je weet ook dat ik rusteloos wordt van vastigheid. Okay, allicht was het beleefd geweest om je te vertellen dat ik weg ging, maar ik was bang dat je me tegen zou houden.’ Haar hart klopte in haar keel en haar handpalmen werden vochtig. ‘Heb ik jou ooit beperkt in je bewegingsvrijheid?’ Terwijl hij naar het plafond staarde gaf hij traag antwoord. ‘Nimmer’.
Zwijgend keken ze in hun theekopjes.
'En nu dan?' Haar vraag werd beantwoord met een simpel schouderophalen. 'Ik dacht dat ik hier wel kon blijven, bij jou.' Zijn houding zou haar razend moeten maken, maar ze was dolblij dat hij bij haar wilde zijn. Toen hij naar haar toe schoof en haar voorzichtig kuste, verdwenen al haar twijfels. 'Vooruit, blijf. Maar denk niet dat je zo met me om kunt gaan.'
Hij maakte het de hele nacht lang goed met haar.
's Ochtends werd ze wakker in een leeg bed. Vrolijk huppelde ze naar beneden, zich verheugend op een gezamenlijk ontbijt. Hij stond niet in de keuken. Plotsklaps misselijk liep ze naar de woonkamer. Zijn rugzak lag niet meer op de bank. Huilen lukte niet, zo verbijsterd was ze. Alweer was ze er in getrapt, alweer had ze haar hart probleemloos aan hem overhandigd en alweer was hij er vandoor gegaan. Terwijl ze er deze keer toch echt van overtuigd was geweest dat het nu wel goed zou gaan.
Ze schrok op uit haar overpeinzingen toen ze gemorrel aan de deur hoorde. 'Schat, wil je me even helpen met de boodschappen? Je had niet voldoende in huis voor een goed ontbijt, dus ik ben zo vrij geweest om het een en ander te halen'.
Reacties
27 mei, 2009 - 22:37
Eind goed, al goed! Al had ik het niet verwacht.
28 mei, 2009 - 08:57
Ah, wat een fijn verhaal!
Nieuwe reactie inzenden