- âč vorige
- 1998 of 6207
- volgende âș
De trein nadert het station en ik voel me al blij worden. âStation Hoorn, eindpunt van deze trein.â Dat is helemaal correct meneer de conducteur, verder terug dan dit kunnen we niet gaan. In de bus druk ik mijn neusje tegen het raam aan en ik staar naar buiten. Eerst een stukje centrum, waar aan elke tegel, aan elke hoek een herinnering kleeft. De bus rijdt langs een groot ziekenhuis. Jaren geleden stond hier een klein ziekenhuisje en daar, daar bracht ik mijn eerste dagen op deze wereld door. Als we de straat oversteken waar mijn vader een deel van zijn jeugd heeft doorgebracht, word ik nog meer overvallen door de nostalgie. Ik sluit mijn ogen en zie hoe hij hier door de straat rent met zijn broers en zussen. Ik open mijn ogen en zie mezelf fietsen, duizenden malen heb ik door deze straat gefietst, op weg naar de stad of op weg naar huis. Fietsen vol verwachting in mijn mooiste kleren en make-up, hopend dat hij er zou zijn. Ladderzat loom trappen, stinkend naar verschraald bier, sigaretten en een vleugje zweet. Make-up uitgelopen en rode konen omdat hij er was en we in de haven hebben staan zoenen.
De bus trekt op en ik zie nog meer tegels, nog meer straathoeken waar herinneringen aan kleven. Er vliegen er zoveel door mijn hoofd dat ik het niet meer bij houd. De vader van een vroeger buurtvriendinnetje fietst langs de bus en ik bedenk me opeens hoe kwaad hij was toen hij ons betrapte op stiekem sigaretjes roken. De bus steekt de grote weg over en we rijden mijn wijk in. Het eerste wat ik zie is de flat waar mijn ouders en mijn broer hebben gewoond. Ik niet, want ik kwam in het ânieuwe huisâ. Het huis waar ik bijna negentien jaar heb gewoond. Het stadhuis. Achter het stadhuis ligt mijn middelbare school, de school waar ik zeven jaar lang lief en leed heb gedeeld met mijn schoolvrienden en vriendinnen. Inmiddels is de school gesloopt, asbest blijkt niet al te bevorderlijk te zijn voor je gezondheid.
Ik zie de benzinepomp waar ik vaak heen fietste om sigaretten te halen. Lachend en kwebbelend, zwijgend en huilend, woedend en euforisch. Ik druk mijn neus tegen het busraam aan en constateer verbaasd dat er op het fietspad geen slijtsporen te zien zijn van de duizenden keren dat ik daar fietste. Van de keer dat ik daar op blote voeten liep met in mijn rechterhand mijn knellende schoenen en in mijn linkerhand de hand van Q. valt ook al niets te zien, terwijl ik er heus heb gelopen om 5 uur âs ochtends. De bus houdt stil bij het winkelcentrum. De bowlingbaan, de winkels en de bibliotheek waar ik ooit treurig constateerde dat ik nu toch echt Ă©lk goede boek wat ze hadden had gelezen. Voortaan moest ik naar de grote bibliotheek in de stad fietsen. Ook op dit fietspad zie ik niets van het meisje met haar rugzak vol boeken, verbeten tegen de wind in of met losse handen met de wind mee. Het tunneltje waar ik voor het eerst âen laatst!- met W. zoende, de afslag waar Esther en ik onze eerste echt grote ruzie kregen en dan draait de bus mijn wijkje in. Ik zie het zebrapad wat ik duizenden malen heb overgestoken met mijn weekendtas, op weg naar papa. Op het slootje waar ik ooit mijn stuitje heb gekneusd omdat ik een pirouette wilde draaien om indruk te maken op de grote jongens die stonden te kijken, ligt geen ijs.

Als we door de bocht heen rijden, zie ik het huis van Esther. Op straat geen spoor van kleine meisjesvoetjes, huppelend, sloffend en stevig stappend. Geen gekwelde sporen van een dertienjarige met een gebroken hart, terwijl ik dat stukje asfalt toch minimaal een miljoen keer belopen heb. De bus rijdt langs mijn achtertuin en ik druk op de stopknop. Als ik uitstap kijk ik naar het trapveldje waar ik met onze honden speelde, bloemen plukte, in het gras lag te lezen, stoer stond te hangen met de rest van de buurtjongeren, stiekem sigaretjes rookte en vervolgens nooit meer kwam. Ik loop de straat in en schrik een beetje. Al jaren schreeuwden de huizen om een renovatie en hun geroep was eindelijk beantwoord. Iedereen heeft nieuwe deuren. Het klopt niet, want dit zijn niet de deuren waar ik aanbelde met mijn lampion, waar ik vriendjes en vriendinnetjes vroeg buiten te komen spelen, waar we belletje trek deden en ook zeker niet de deuren waar ik dag in dag uit voorbij kwam. Ik steek de sleutel in het nieuwe slot. Een brandschoon slot, geen krassen van alle ochtenden wanneer ik straalbezopen het juiste sleutelgat probeerde te vinden. De deur zwaait open en ik stap tien jaar terug in de tijd. Ik ben zestien, problemen op school, problemen met vriendjes, met mezelf. Noem een probleem en zwaarmoedige puber die ik ben, ik heb het. Godzijdank had ik toen nog geen besef van de problemen die hypotheken, carriĂšrekeuzes, lange relaties, eigen huisdieren, rekeningen en andere verplichtingen met zich mee brengen. Een kopje thee samen met mama op de bank en alles is weer goed.
Reacties
16 december, 2007 - 19:22
Mooi stukje =)
27 december, 2007 - 23:05
Awww shit, nou ben ik ook helemaal nostalgisch. Mijn stappen waren weliswaar niet met jou maar met je kleine zusje, maar ik loop zo in gedachten mee langs dat gedrocht van een stadhuis, de huesmolen, de ballenbrug, de Rode Steen.
Moest dat nou?
:')
28 december, 2007 - 00:16
Ha! Ik nostalgisch, jij nostalgisch! Zwelgen zal je!
Nieuwe reactie inzenden