- ‹ vorige
- 1928 of 6206
- volgende ›
Het klikte absoluut niet tussen ons. We praatten zelden. En áls we onze monden opendeden klonken er alleen maar verwijten. Over en weer. Ik vond hem stinken. Hij vond mij hardvochtig. Ik vond hem een stuk chagrijn. Hij mij onmenselijk. Ik verweet hem luiheid. Hij beschuldigde mij van nalatigheid. Ik siste hem toe dat hij zo hebberig was, zo egoïstisch. Hij blafte terug dat ik niet genoeg energie in onze relatie stak. De zielenpoot.
We zagen elkaar elke week. Ik maakte dan zijn huis schoon. Elke vrijdag stapte ik zijn domein binnen, gromde een groet en begon te stoffen. Hij lag daar maar, te snurken en te stinken. Vroeger kwam hij me nog wel eens begroeten, maar zodra de gewenning toesloeg was het over. De sleur zat er in. Soms kwam hij me storen, onder het stofzuigen. Hij knorde dan onvriendelijk dat ik zo’n kabaal maakte. Hij kon door die herrie zijn werk niet naar behoren doen, vond hij. ‘Je kan niet slapen, bedoel je’ snauwde ik hem dan toe. Hij droop af en ik zoog door, extra lang.
Soms moest ik met hem wandelen. Hij zeurde dan zó lang dat ik uiteindelijk overstag ging. Ik bleef dan dicht bij hem in de buurt. Hij kon buiten soms zó onfatsoenlijk zijn. Ik geneerde me als hij naast me liep. Ik liep rood aan wanneer hij plotseling bleef staan en aangaf geen poot meer te willen verzetten. Nog erger vond ik het als hij een eind voor mij uit ging lopen. Zijn neus in de wind. De gordijnen in de buurt bewogen. Ik negeerde de nieuwsgierige, soms medelijdende blikken van achter de kanten vitrages. Ik hield de schijn op van een gelukkige, liefdevolle relatie. Eenmaal weer binnen, barstten we los. We peperden elkaar in met hatelijke verwensingen. Van mij mocht hij de pot op. Hij wenste mij zijn huis uit, maar voegde er wel snel aan toe dat ik genoeg eten over moest laten. En koekjes. En wel zo, dat het op loopafstand van zíjn plek lag.
Toen werd hij ziek. Hij werd langzaam doof. Over zijn ogen kwam een blauwige waas. Hij kwam niet meer zeuren onder het stofzuigen. Hij wilde bijna nooit meer wandelen. Zélfs niet wanneer ik er op aandrong. Hij sliep meer dan ooit. Hij droomde veel en maakte vreemde snurkgeluiden. Soms hoorde ik helemaal niets. Dan ging ik vlug even kijken of zijn hart nog klopte. Tot mijn grote verbazing was ik opgelucht wanneer hij zijn ogen open deed. Ik vond het ineens hele mooie ogen. Zo bruin, zo trouw. Ik ging naast hem zitten en aaide hem wat over zijn bol. De stilte maakte alles weer goed. ‘Ik zal je missen, denk ik’ fluisterde ik zacht in zijn flapoor. Hij hief zijn kop op en keek me glazig aan. Ik meende een traan te zien opwellen in zijn linkeroog. Hij kwispelde.
Reacties
1 november, 2007 - 13:42
Rule! O+ Weer een prachtcolumn!! :B
2 november, 2007 - 20:39
Wat zij zegt!
Nieuwe reactie inzenden